Het legendarische VPRO-duo Van Kooten en De Bie pakte er ooit mee uit: de Keek op de Week, een bijwijlen confronterende en altijd hilarische kijk op de actualiteit van de voorbije week. Een column dezelfde titel meegeven, getuigt ofwel van steile ambities of een gebrek aan realiteitszin. Het is echter geen van beide. Keek op de Week klonk gewoon lekker en biedt ons de kans een eigenzinnige blik op Bredene en alles wat daarrond ligt -de wereld dus- te ontwikkelen. En u vijf minuutjes per week te amuseren, ergeren of misschien zelfs een geweten te schoppen…
Blauw
“Rood.”
“Neen. Blauw.”
“Rood zeg ik u.”
“Blauw. Blauw. Blauw.”
“Rood godverdomme, commissaris.”
“Maar allez Willy, je bent niet ernstig! Hoe kom je erbij om alle zwaailichten te vervangen door rode exemplaren!?”
“De strepen op de patrouillewagens dan. Rood valt toch veel meer op?”
“Willy, aan die zwaailichten en strepen wordt niet geraakt.”
“Bon, als’t zo zit. Ik dacht dat ik op u kon rekenen. Een mens moet straks nog bij de loge om iets gedaan te krijgen in dit land.”
[Peg], moet u weten beste lezer, is sinds het al snel uit de kluiten gewassen kindsbeen een onvoorwaardelijke fan van politieseries. Het begon als peuter toen het nog geheel uit zwart wit opgetrokken “Car 54, where are you?” wekelijks onze eerste beeldbuis kwam opleuken. Meer humor dan detective in deze met twee idiote agenten gelardeerde Amerikaanse serie. Kinderachtig eigenlijk. Maar goed, ik was ook nog een kind in die van eurocrises en migratiestops warse tijd.
“Er staat toch al een leeuwtje op onze Peugeots?”
“Erik, voor de laatste keer: we zetten niet op elke kepi een leeuwtje. De Politie heeft al een logo.”
“Toe commissaris, zo’n leeuw, dat straalt toch autoriteit uit? De mensen zullen nog banger van ons worden.”
“Ge moet de mensen niet bang maken. Ge moet ze helpen. En zo’n insigne met een leeuwtje zal je heus niet stoerder doen lijken.”
“k’ Vind het toch straf. Die schepen met zijn ING-speldje, dat mag allemaal. Maar een Vlaams leeuwtje op ons uniform? Ah neen, dat is verboden!”
“Erik, we hebben al alle verkeerspalen zwart-geel geschilderd om je een plezier te doen. Hou er nu mee op.”
De jaren zeventig staken voor de cops & robberslover in mij vol hoogdagen. “Mannix”, met zijn immer koffie uitschenkende secretrasse Peggy op zaterdagavond laat. Of de kale, lollyzuigende Kojak. Baretta en Cannon, die buitenmaatse detective in zijn pimpmobile, zo’n dikke Amerikaanse slee met een koffer waar makkelijk twee Dacia Dusters in passen.
En natuurlijk “Starsky & Hutch”. Blonde flik, donkere flik. Neuroot, flierefluiter. Roestbak en grommende rode Gran Torino met witte streep. Oh ja, en dan vergeet ik hun vrouwelijke tegenhangers “Charlie’s Angels” nog met de veel te vroeg verleden Farah Fawcett Majors. Photoshop overbodig.
“Wat heb ik mispeuterd, agent?”
“Ik schrok me een hoedje toen je plots met loeiende sirenes achter me aan kwam rijden.”
“Ik reed toch niet te snel? En mijn veiligheidsgordel heb ik ook al aan. Een dame van zeventig zo doen schrikken. Foei!”
“Maar nu zie ik het pas, ’t is Willy. Willy verdorie, ik kan daar niet mee lachen, hé.”
“Je hebt niks verkeerd gedaan, Denise. ’t Is gewoon om een foldertje van de verkiezingen af te geven. Denk eens aan ons volgend jaar, ok?”
In de jaren tachtig, het yupdecennium, moest het plots allemaal wat sneller en heviger. Realistischer ook à la “Hill Street Blues” of het al te vrouwelijke “Cagney & Lacey” waarin de protagonista’s het vaker hadden over menstruatiepijn of de staat van de lakens van Cagney’s (of was het Lacey’s? Ik hield die twee nooit uit mekaar) puberende zoon dan over de criminaliteitscijfers in New York.
“Een camera waar?”
“In het bureau van de burgemeester, commissaris. En een microfoontje. Ik mag er niet aan denken dat onze burgemeester ooit door een misnoegde inwoner bedreigd zou worden. Of erger nog, gegijzeld. Dan hebben we meteen zicht op de situatie.”
“Ga je nu niet te ver, Erik? Of zit er meer achter?”
“Zou je niet beter wat echt politiewerk doen? Ga wat criminelen arresteren!”
“Maar dat heb ik vorig weekend al gedaan, commissaris.”
“Ik heb toen toch tientallen rare snuiters opgepakt in het Versluyscentrum? Stuk voor stuk vreemd uitgedoste figuren. Immigranten ongetwijfeld.”
“Erik, dat waren deelnemers aan het countryfestival.”
“Ah bon. Ik vond al dat ze verdacht goed Vlaams praatten.”
Uiteraard mag ook de Vlaamse bijdrage aan het genre niet vergeten. En neen, dan heb ik het niet over “Witse” of “Heterdaad” maar over het onnavolgbare “De kolderbrigade”. Met Gaston Berghmans en Leo Martin in een parodie op de good cop bad cop-stijlfiguur. Dumb cop, dumber cop. En met een leuke catchphrase.
“Erik, Willy, godverdomme. Een pilleke. k’ Hè huufdpaain.”
Zoiets, ja.
[Peg]
Elke gelijkenis met bestaande gebeurtenissen of personen berust op louter toeval.













